Kogelslingeren

Historie

 

Kogelslingeren is uitgevonden door de oude Grieken in ongeveer 1200 voor Christus. Het begon allemaal, zoals de legende vertelt, met Punius die kwaad was op zijn vader. Hij mocht niet meedoen met de atletiekwedstrijd omdat zijn vader vond dat hij te jong was. Punius werd toen zo kwaad

dat hij zijn vaders favoriete bal aan een touw bond en begon te slingeren. Toen hij het touw losliet, vloog de bal een heel eind weg.

De godin Athene die de worp had gezien, ging naar Punius toe en gaf hem een tip. Ze zei dat hij dit moest laten zien aan Kroton, de baas van het atletiekstadion in Olympia. Punius deed dat en Kroton zag er een nieuwe sport in.

 

 

Techniek

 

De grootste afstanden worden bereikt door de kogel meerdere keren rond het hoofd te draaien en daarna zelf snel met de kogel mee te draaien vooraleer deze los te laten vooraan in de werpcirkel. Veel topwerp(st)ers maken vier draaien in de ring; drie draaien komt echter ook voor.

Een enkeling maakt vijf draaien maar het wereldrecord bij de mannen is geworpen na drie draaien. Het toevoegen van een extra draai betekent dat de kogel meer versneld zal kunnen worden maar betekent ook dat de kans op balansverstoring groter wordt. Voor de meesten ligt het optimum daarom bij drie of vier draaien; een draai meer leidt niet tot betere prestaties. Balans is nu eenmaal enorm belangrijk en maakt trouwens dat kogelslingeren minder zwaar is dan de leek zou denken. Misschien is het ook moeilijker dan het in eerste instantie lijkt; het nummer vereist een zeer lange leerperiode.

 

 

Regels

 

Zoals bij andere werpsporten gaat de competitie over wie de kogel het verst kan werpen. De kogel bij de mannen is 7,26 kilo zwaar

(16 Engelse ponden), bij de vrouwen 4 kilo. De werpring meet 2,135m (7 voet) in doorsnede, gelijk aan de ring bij het kogelstoten, maar kleiner

dan de ring bij het discuswerpen.

De afstand van de worp wordt bepaald door een aantal factoren: de snelheid van de slingerkogel bij het loslaten, de verticale hoek waaronder geworpen wordt en uiteraard de juiste richting. De kogel dient binnen een bepaald gebied (de werpsector) terecht te komen.

Valt de kogel daarbuiten, of stapt de atleet voordat de kogel is geland uit de afwerpring (bijvoorbeeld door het verlies van het evenwicht),

dan wordt de worp ongeldig verklaard. De atleet dient de ring aan de achterzijde te verlaten.

 

De snelheid van de kogel is enorm. Bij de afworp bedraagt de snelheid bij de wereldtop van de vrouwen zo'n 97 km/uur. Bij de mannen is dit zelfs

104 km/uur. Een dergelijk projectiel is dodelijk en in de loop van de tijd zijn de veiligheidsvoorschriften daarom steeds strenger geworden.

De sector waarbinnen de kogel dient te landen is smaller gemaakt en bedraagt nu 34,92°. Vooral van belang is de werpkooi die om de afwerpring aangebracht moet zijn. De wand van de kooi bestaat uit een net van stevig touw en in de opening van de kooi zitten aan weerszijden deuren. Bij rechtshandige werpers staat de linkerdeur dicht, bij linkshandigen de rechter. De opening is 6 meter breed (met de deur dicht 4m) en moet zich tegenwoordig 7 meter vóór het centrum van de werpring bevinden (was tot 2004 4,20m; veel kooien zullen nog aangepast moeten worden).

De deuren van de kooi moeten 10 meter hoog zijn (was: 7m). Dit alles maakt dat de kogel bijna niet meer buiten de sector kan landen, maar heeft ook als gevolg dat het handvat bij een in de goede richting geworpen kogel soms toch het net raakt, wat een mindere werpafstand zal opleveren.

De werp(st)ers reageren hier flegmatisch op, veiligheid moet bovenaan staan.

 

Bron:Wikipedia

Druckversion Druckversion | Sitemap
© Peter Holthuijsen